8 De varkenshouderij

Aan het einde van mijn jaar in Australië raak ik ook aan het einde van mijn geld. Maar ik heb nog een stukje reis over. En dus bel ik weer met oom Dick en vraag hem of hij nog wat werk voor mij kan vinden. Hij belt wat later terug met het goede nieuws, dat hij waarschijnlijk een baantje voor mij heeft gevonden op een varkenshouderij. ‘Het is vast een goed baantje voor je. Er hebben eerder een aantal Duitse meiden gewerkt. En je accommodatie is waarschijnlijk in een huis met Nederlanders. Maar je kunt toch wel goed opschieten met Nederlanders hè?’ zegt oom Dick. -‘Euh..Ik ben zelf Nederlands’ antwoord ik. ‘Wat stom, waarom heb ik hier dan Duits staan? Je hoort zo snel mogelijk meer van mij.’
Een dag later belt hij weer. ‘Ik heb een baantje voor je gevonden op een varkenshouderij. Het is iets anders dan waar ik gister over belde. Het is in Goondiwindi, op dezelfde varkenshouderij waar Lukas ook heeft gewerkt. Ze hebben een ervaren shovelbestuurder nodig, omdat de jongen die het werk nu doet, begin volgende week vertrekt. Je moet dus zo snel mogelijk naar Goondiwindi, zodat hij je nog kan inwerken.’
Ik sta de volgende ochtend om half zes op en ga met een airport shuttle naar het vliegveld. Vandaar vlieg ik naar Brisbane. Dan snel met de trein naar het busstation en om 10:45 uur pak ik de bus naar Goondiwindi. Daar kom ik nog eens vijf uur later aan en word ik opgewacht door mevrouw Golder, die mij naar het caravanpark brengt. Daar krijg ik voor veertig dollar een caravan. Ik doe gelijk boodschappen voor een week en dan zit ik daar helemaal alleen in mijn caravan. Ik zit in Goondiwindi of all places. In the middle of nowhere. Ik ben moe van een lange dag reizen en ik mis mijn vrienden van onderweg.

Om kwart voor vijf in de ochtend word ik opgepikt door een man met een pick-up. Een uur later zet hij mij af op mijn nieuwe werkplek. Het is dus echt in de middle of nowhere, een uur van Goondiwindi! Ik leer mijn nieuwe collega’s Harvey, Duncan en Richard kennen. De Zuid-Afrikaanse manager Harvey vertelt mij wat er van mij verwacht wordt: ‘Wij hebben hier zes silo’s die gevuld zijn met Blood, Canola, Meatmeal, Soya, Full Fat Soya en Millrun. Dat zijn allemaal proteïnen, die ervoor zorgen dat de varkens sneller groeien. Jouw job is simpelweg ervoor zorgen dat die silo’s nooit leeg raken. Dat is eigenlijk je hele job. Je gaat het werk overnemen van Richard en hij zal je laten zien hoe je die silo’s vol houdt’.
Omdat het regenachtig is, kunnen we niet veel doen. Richard leidt me wel rond op de feedmill. Hij neemt me eerst mee naar een grote loods waar een grote berg Millrun ligt en bloed in grote zakken ligt opgeslagen. Daarna neemt hij me mee naar de bunkers aan de buitenkant van de loods. Hierin ligt het andere voer opgeslagen. ‘Dit voer wordt elke week in bulk geleverd door vrachtwagens’ zegt Richard. ‘Je moet deze voor en na het leveren wegen. Tevens moet je een sample van het voer nemen en de vochtigheid meten. Dit moet je allemaal registreren. Als je dat hebt gedaan kan de vrachtwagenchauffeur beginnen met ontladen. Je zult daarna het voer nog wel wat moeten aanduwen met de shovel.’ Tenslotte rijd ik een stukje op de shovel, een oude Caterpiler 933, en ik leer de vorkheftruck te besturen, tevens een oud ding.
’s Middags gaan we naar de accommodatie. ‘This is home‘ zegt Richard als we aankomen. De feedmill heeft een eigen appartementje met douche, wc en keuken. Als Richard is vertrokken, heb ik dit hele appartementje voor mijzelf. Ik heb het weer goed getroffen. Er werken hier nog veel meer backpackers, zij moeten een slaapkamer met z’n tweeën delen. Ze moeten ook gebruik maken van de gemeenschappelijke keuken en douches. De andere backpackers werken de hele dag in de stallen van de varkens. Ze injecteren de varkens met antibiotica en maken de stallen schoon. En dat kan je ruiken ook, zelfs nadat ze zich gedoucht hebben.

Maandag is de eerste dag dat er wat gedaan kan worden op de feedmill. Het is de laatste dag dat Richard mij kan laten zien hoe het moet. Daarna ben ik alleen verantwoordelijk voor de zes silo’s. Mijn dagen zien er vanaf dat moment hetzelfde uit en beginnen om zes uur in de ochtend op de feedmill. Die is ongeveer tien minuten lopen vanaf de accommodatie. Onderweg eet ik mijn brekky, terwijl de kangoeroes ondertussen voorbij springen. Het eerste wat ik op de feedmill doe, is een kijkje nemen in de silo’s. Aan de hand van die informatie, vul ik de silo waarbij dat nodig is. Dit doe ik door het voer met een shovel op te halen en in een greppel onder aan de silo’s te gooien. Per keer gooi ik ongeveer twee tot drie ton voer in de greppel. Een buis met daarin een spiraalvormige schroef brengt het voer omhoog. Ik moet dan gewoon wachten, totdat al het voer in de silo is gebracht. Wel houd ik een oogje op de lift, want die wil nog wel eens verstoppen. Ondertussen luister ik lekker naar mijn eigen muziek.
De eerste week heb ik nog wel wat opstartprobleempjes. Zo ram ik met de shovel de deur van de bunker, die daardoor vervolgens niet zo goed meer dicht kan. Ik verlies een aantal pakken voer van mijn pallets tijdens het ontladen van een vrachtwagen en ik vergeet eens het wiel onderaan de silo te verzetten, waardoor de lift bloed in de silo met Millrun gooit. Maar naast deze opstartprobleempjes vergaat het me prima. Aan het einde van de week krijg ik zelfs de complimenten van de manager als ik 54 ton Meatmeal in een bunker weet te passen.

Vrijdagmiddag is het weekend en dan gaan we to town. Hiervoor moeten we 80 kilometer rijden en dan komen we aan in Goondiwindi, dat met 5000 inwoners ook niet echt een metropool is. Toch is het een hoogtepunt in de week. Want we kunnen internetten, de kroeg in en zien weer eens andere mensen. Omdat ik geen eigen vervoer heb, rijd ik  met de Duitsers mee. Zij hebben een oude camper en daarin spelen we onderweg naar Goondi poker. Bij de Bi-Lo supermarkt doen we onze boodschappen voor een week, die op de terugweg samen met ons in de camper moeten passen.
Na het doen van de boodschappen is het elke week weer een race wie als eerste een computer krijgt. In Goondi zijn er drie in de bieb en in een gameshop zijn er nog eens zes. Naast het internetten is het ook leuk om andere mensen te ontmoeten. De bibliothecaressen vinden ons erg interessant. Ook andere inwoners van Goondi maken graag een praatje met ons, als ze merken dat wij uit het buitenland komen. Twee van mijn Duitse collega’s worden zo uitgenodigd voor een diner. De Duitsers verontschuldigen zich: ‘Wij zijn niet alleen.’ -‘Maakt niet uit, je kan je vrienden ook meenemen’ antwoordt de vrouw. ‘Met hoeveel zijn jullie?’  ‘Zeven’ antwoorden de Duitsers. -‘No worries‘ zegt de vrouw die haar winkelmandje terugbrengt en terug komt met een karretje, gevuld met vlees. Later die avond hebben we bij haar een barbie. Het is typerend voor de gastvrijheid van Australiërs.
Alles na de vrijdag is een let down. Ik heb twee dagen weekend, maar weet niet goed wat ik met die tijd moet doen. Ik zit hier in de middle of nowhere. Er is hier geen telefoonsignaal en geen internet. Buiten is het overdag te heet om iets te doen en ’s avonds hebben we vaak onweer. Het enige wat ik in het weekend doe, is lezen en films kijken. De verveling en afzondering leidt bij velen tot overmatige consumptie van alcohol. Nog dronken van de vorige nacht, staan sommigen de volgende ochtend, voor zessen, weer op. Ik moet denken aan de woorden van oom Dick, die ooit tegen mij zei dat alcohol en drugs absoluut niet getolereerd worden. Ik probeer de alcoholconsumptie tot een minimum te beperken. Ik ben hier immers om geld te verdienen en niet om het te verdrinken.

Ik ben blij als ik maandag weer kan beginnen met werken. Na de opstartprobleempjes van de eerste week, gaat het me steeds beter af. Ik leer ook meer over het voer dat de varkens krijgen. Eigenlijk zijn het allemaal restproducten, die overblijven bij het produceren van voedsel voor mensen. Zo is Millrun het restproduct van bloem. Canola het bijproduct van koolzaadolie en Soya is een bijproduct van het maken van Sojabonen olie. Meatmeal en Blood zijn restproducten van de slager. Meatmeal is een poeder die bestaat uit verpulverde botten, vlees en organen. Blood is opgedroogde koeienbloed in poedervorm.
Het bloed wordt in tegenstelling tot het andere voer niet in bulk, maar in zakken van duizend kilo geleverd. Elke twee week komt er een nieuwe vrachtwagen langs om nieuwe zakken te leveren. Het opgedroogde bloed is een erg fijne substantie. Het vullen van de silo met bloed vergt dan ook wat speciale aandacht. Met de vorkheftruck lift ik een zak boven de greppel en dan maak ik met een mes een groot gat aan de onderkant van de zak. Het bloed stroomt vervolgens uit de zak, terwijl het ondertussen flink opstuift. Op dagen dat ik de silo met bloed vul, kom ik aan het einde van de dag altijd rood terug.
Naast de zes silo’s die ik bijhoud, zijn er ook nog twee grote silo’s met sorghum en mais. Hiernaast zijn Harvey en Duncan in de loods bezig om ander voer in kleinere hoeveelheden te prepareren. Zij voegen voer als weipoeder, kalksteen, vismeel, zout, lysine en medicijnen toe. Uiteindelijk wordt dit allemaal gemixt. Een vrachtwagen brengt het voer vervolgens naar de varkensstallen. Ik vond het toen maar een vreemd dieet dat die varkens krijgen. Maar als ik op de verpakking van mijn eigen eten kijk, zie ik tot mijn schrik veel dezelfde producten terugkeren.
Na het werk spendeer ik de meeste tijd met de Duitsers. Geregeld maken we een kampvuur en zitten we lekker te ouwehoeren. Nadat ze er achter zijn gekomen dat ik ook Duits versta, spreken ze steeds vaker Duits in mijn bijzijn. Nu vind ik dat niet zo erg, want ik begrijp het meestal wel. Ik beschouw het wel als een zegen dat ik mij zo makkelijk kan aanpassen. Als Nederlander wellicht een vanzelfsprekendheid. Maar veel Fransen, Duitsers en Engelsen laten zien dat dit niet voor iedereen gewoon is.
Ik heb bijna mijn hele reis Engels gesproken. Naast het praten, denk ik nu ook in het Engels. Er is echter één ding dat ik na al die tijd in het Nederlands blijf doen; tellen. Mijn Zuid-Afrikaanse baas blijkt hetzelfde te doen, ook hij blijft in zijn moedertaal tellen. Hij is hier nu drie jaar en doet alles in het Engels, maar tellen blijft hij in het Afrikaans doen. Het is toch vreemd hoe je hersenen werken. Want allebei kunnen wij best in het Engels tellen. Toch blijven wij het automatisch in onze moedertaal doen.

Ik heb berekend dat ik na vijf weken genoeg geld over heb om de laatste weken van mijn reis door te komen. Ik heb Harvey verteld wanneer ik vertrek. Ondertussen vliegen de weken voorbij. De zomer, die hier in Australië in oktober begint, komt steeds dichterbij. Aangezien ik de hele tijd buiten werk, ben ik blij dat ik de zomer hier niet werkend hoef mee te maken. Volgens Duncan worden hier in de zomer temperaturen gemeten van rond de 45 graden! De vliegen komen ondertussen ook in steeds grotere getallen. Eén van de vrachtwagenchauffeurs vertelt me dat het hier binnenkort zwart van de vliegen staat.
De zomer brengt ook veel onweer en stortbuien in de avonden. Voor mij is het zaak om de bunkers goed af te sluiten en het zeil goed vast te binden. Als er water bij het voer komt, gaat het rotten. Het is bovendien een ideale plek voor maden. Dat is allemaal geen fijn aangezicht en het ruikt ook allesbehalve fris. Ik heb al een paar keer de neiging gehad om over mijn nek te gaan.
Aangezien het warmer wordt, komen ook de slangen te voorschijn. Althans dat is wat iedereen zegt: ‘The snakes are comming out!‘ Het is een zin die men hier graag in de mond mag nemen. Ik zie echter enkel dode slangen. Dan worden er grapjes gemaakt, dat we die wel op de barbie kunnen doen. Maar dat hebben we nooit gedaan. Wel hebben we kangoeroe gegeten. De concreters, dat zijn gasten die beton leggen voor de nieuwe stallen, schieten kangoeroes en verkopen het vlees op de zwarte markt. Zo hebben ze er ook ééntje voor ons neergeschoten. Het beest wordt voor onze ogen van zijn hoofd en vacht ontdaan. Een half uur later ligt het op de barbie.
Op mijn laatste dag op de feedmill heb ik mijn opvolger al ingewerkt en doe ik wat klusjes op mijn gemak. Alles met een grote glimlach op mijn gezicht. De vijf weken zijn bijna voorbij. Er zijn hier rond de 60.000 varkens, maar behoudens een paar trucks op afstand, heb ik nooit een varken gezien. De varkensstallen zijn allemaal een paar kilometer verderop en daar kom ik niet. Om drie uur stop ik met werken. Ik neem afscheid van Harvey en Duncan en verontschuldig mij dat ik niet langer kan blijven. ‘Maar Duncan en jij kunnen niet tegen de vrouwen aan de kust op’ zeg ik. Dat kan Harvey begrijpen. Hij bedankt me voor mijn diensten en waarschuwt mij dat ik mijn leven niet door vrouwen moet laten bepalen, anders zou ik zoals hem eindigen. Daarna loop ik met een grote glimlach de feedmill uit met Xavier Rudd op mijn Mp3 speler.’Everything’s gonna be allright, Everythings gonna be allright now!’

Advertenties

Over hleutscher

Hallo. Ik ben Henk Leutscher, geboren in 1984. Voorheen Wereldreiziger en daarvoor een tijdje leraar geschiedenis. Sinds januari 2012 weer inwoner van Leeuwarden.
Dit bericht werd geplaatst in Naar Australië en getagged met , , , , , , . Maak dit favoriet permalink.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s