5 The Feedlot

Een paar maanden later heb ik mijn spaargeld uit Nederland en het geld, dat ik heb verdiend met het fruit plukken bijna opgemaakt. ‘I’m running low on funds‘ zeggen de Engelsen dan. Ik moet dus snel op zoek naar werk. Van Vlaming Tom had ik in Sydney een visitekaartje gekregen van een zekere Dick. Zijn uitzendbureau in Toowoomba had Tom aan een heel mooi baantje in de graanoogst geholpen. Ik wil ook op het platteland werken. Want om in aanmerking te komen voor een tweede working holiday visum, moet je drie maanden op het platteland werken. Na het fruit plukken heb ik dus nog twee maanden te gaan.
Deze regeling is door de Australische overheid ingevoerd om meer werknemers naar het platteland te halen. Want niet alleen de backpackers blijven liever aan de kust, ook de Australiërs zelf doen dit. Hierdoor is het voor boerenbedrijven lastig om werknemers te vinden. Voor mij is het platteland naast het vooruitzicht op een tweede visum, ook een mooie manier om geld te sparen. In de stad kan je per uur meer verdienen, maar minder uren maken en in de stad zijn natuurlijk ook veel meer mogelijkheden om je geld gelijk weer uit te geven.
Lukas werkt al bijna vijf weken via Dick op een boerderij in Goondiwindi. Als blijkt dat zijn werkzaamheden bijna zijn afgelopen vragen we Dick om een nieuw baantje te vinden waar we samen kunnen werken. Een paar dagen later krijg ik een telefoontje van hem: ‘Ik heb een baan voor jou en Lukas gevonden. Het is in Dalby, het volgende plaatsje vanaf hier. Ik ben erg blij met Lukas, want hij heeft goed gewerkt op de varkenshouderij. Hij heeft me verteld dat jij nog harder werkt. Lukas komt over twee dagen hier naartoe en ik wil dat jij dan ook komt om de nodige papieren in te vullen. Je gaat op een feedlot werken. Dat is een boerderij waar vee in omheinde velden zit en intensief wordt gevoerd voor de slacht. Jullie moeten de dieren voeren met trucks en de velden schoonmaken met tractors  Heb je dat wel eens eerder gedaan? -‘Nee, maar dat komt vast wel goed’ antwoord ik. ‘Ik weet dat je enthousiast bent en graag wil werken, maar ik ben alleen maar bezorgd om jouw veiligheid. Ik wil niet dat je in een houten kist terugkeert naar Duitsland!’

Twee dagen later zit ik op het kantoor van Dick in Toowoomba, na Canberra de grootste stad in het binnenland van Australië. Hier neemt hij alle tijd voor mij. ‘Ik noem jullie reizigers’ zegt hij ‘en niet backpackers. Want ik zie jullie als reizigers die wat willen leren van verschillende culturen. De meeste backpackers blijven slechts aan de kust. Jullie gaan het binnenland in en gaan het echte Australië zien. Probeer zoveel mogelijk te doen met lokale Australiërs want dan krijg je echt een geweldige ervaring. Want ik wil dat dit een ervaring voor jou wordt.’ Natuurlijk gaat hij gewoon veel geld aan mij verdienen, maar hij doet zijn werk goed en geeft mij een goed gevoel en wijst mij erop dat ik naast een heleboel dollars ook een mooie ervaring aan dit werk ga overhouden.
‘De afgelopen vier jaar heb ik meer dan vierduizend mensen aangenomen’ gaat Dick verder. ‘Dus ik heb best wel wat ervaring en ik wil je zeggen, dat ik een goed gevoel bij jou heb. Ik heb redelijk wat ervaring met Duitsers, ik neem ze graag in dienst. Zie je het bord achter je? Er werken best wat Duitsers voor mij.’ Dick laat mij een bord zien waarop een lijst met namen staat. Achter de namen staat hun nationaliteit en waar ze werkzaam zijn. Lukas en ik staan ook op de lijst. Achter onze naam zie ik (ger) staan. Dick gaat verder: ‘Ik mag graag met Duitsers werken want jullie zijn…’ -‘Sorry dat ik u moet onderbreken maar ik ben niet Duits. Ik kom uit Nederland. Ik ga dan wel met een Duitser werken, heb vele Duitse vrienden en een achternaam die misschien Duits klinkt. Maar ik ben toch echt Nederlands!’ Dick verontschuldigt zich. ‘Nou ik heb ook veel ervaring met Nederlanders. De Nederlanders zijn een eigenaardig volk. Begrijp je wat ik hiermee bedoel?’ Als Dick is uitgepraat moet ik bij zijn secretaresse alle papieren invullen. Daarna haal ik Lukas op van het busstation.
Dick brengt ons vervolgens naar een motel waar hij ons al heeft ingeboekt. Hij geeft ons bustickets mee voor de volgende dag en de opdracht om boodschappen te doen voor de komende week. De volgende ochtend stappen we op de bus naar Dalby waar we worden opgehaald door Jim, de manager van de feedlot. Nadat wij ons hebben voorgesteld en onze spullen in de auto hebben gedaan, zegt hij dat hij eerst nog even een koelkast moet halen voor ons. ‘Want er is maar één koelkast in het huis waar jullie gaan wonen en die is redelijk vol, dus ik zal even een nieuwe kopen voor jullie.’ Lukas en ik hebben gratis accommodatie op de feedlot. Dit huis moeten we delen met nog twee andere Australische werknemers, wel hebben we elk onze eigen kamer. ‘De feedlot is ongeveer twintig kilometer buiten Dalby’ zegt Jim. ‘Hebben jullie ook een rijbewijs?’ Als wij bevestigend antwoorden, zegt hij: ‘Goed, dan kunnen jullie alles wel besturen. Wij hebben een aantal shovels, trucks en natuurlijk tractors. Hebben jullie daar wel eens eerder op gereden?’ -‘Nee’ antwoorden wij allebei. ‘Dat leren jullie de komende weken dan nog wel. Dat komt wel goed.’
Op de farm is het eerst tijd voor een royal tour over de ruim 600 hectare grote feedlot. ‘Wij hebben ongeveer 15.000 koeien’ vertelt Jim. ‘Vooral Japanse Wagyu koeien. Ze zitten hier op de feedlot in omheinde velden, in elk veld zitten driehonderd koeien. Ze komen bij ons als ze anderhalf jaar oud zijn. Vervolgens blijven ze hier driehonderd dagen alvorens ze worden geslacht. Het vlees dat deze koeien produceren is erg lekker en wordt verkocht aan de beste restaurants in Sydney, New York en Dubai. Dat moeten jullie ook echt proberen. Jullie huisgenoten hebben nog wel wat in de diepvries zitten. Ik zal ze straks meteen de opdracht geven dat ze jullie wat moeten geven. Als we binnenkort weer een koe slachten voor het personeel, krijgen jullie ook een zak vlees. Dat vlees is zo lekker omdat ze een speciaal dieet krijgen. En daar ligt jullie taak. Het voeren gebeurt met speciale voertrucks die jullie nog gaan leren te besturen. Langs de velden ligt een betonnen greppel en daar rij je dan met je truck langs en op een computer aan boord zie je precies hoeveel voer je in de greppel moet gooien. Maar morgen beginnen jullie eerst op de feedmill.‘ Dan stappen we even uit om de feedlot te ruiken. Lukas, die de stank op een varkenshouderij gewend was, zegt dan: ‘Het ruikt goed.’

Op onze eerste werkdag melden we ons om zeven uur op de feedmill. Dit is de plek waar al het voer wordt gemengd voor de koeien. Lukas en ik mogen ons eerst bezig houden met het stro. Dat moeten wij met behulp van de JCB in de tubgrinder gooien. Dat is een grote gele kuip waarin allemaal hamers de stro verpulveren tot kleine stukjes. Dit verpulverde stro wordt dan gemengd met het andere voer. Dat onder andere uit sorghum, gerst, tarwe, mais en katoen pitten bestaat.
De JCB is een machine met een arm die uitschuifbaar is. Voorop de arm zit een grote schep waarmee wij de stro kunnen opscheppen en in de tubgrinder kunnen gooien. Huisgenoot en monteur Bill legt ons uit hoe we de pedalen, hendels en de joystick, waarmee de schep bediend wordt, moeten gebruiken. We gaan het dan om de beurt even proberen. Als Bill ziet dat het wel gaat, laat hij ons twintig minuten later alleen. ‘Jullie redden je wel’ zegt hij. En dan staan we er alleen voor. Ik gooi het stro in de tubgrinder en Lukas haalt met een oude blauwe Ford 5000 tractor nieuwe balen stro op en veegt de boel een beetje schoon rond de machine, zodat hier niets in de brand vliegt. Deze taken wisselen we elk uur af.
Met deze werkzaamheden vullen wij de eerste week. Het enige wat er verandert is dat we de stro soms moeten vervangen door hooi. Verder moeten we soms ook vrachtwagens ontladen die nieuwe balen met hooi of stro komen brengen. Elke dag werken we zo tussen de acht en elf uur en maken zo per week tussen de vijftig en zestig uur. Na zes dagen werken hebben we een dag vrij. We krijgen Jim’s auto mee en gaan naar Dalby. Daar maken we in de bibliotheek gebruik van het internet en doen daarna inkopen voor de komende week.

Als wij de volgende ochtend weer op ons werk verschijnen weet iedereen dat wij naar Dalby zijn geweest en daar hebben zij blijkbaar hele verwachtingen van. ‘Did ya pick up any sheilas?‘ vraagt één van de monteurs. Als ik later met de chauffeur van de voertruck praat vraag hij: ‘Did ya get any root?‘ ‘Wat? Waar heeft die gast het nou weer over?’ denk ik. Root betekent toch wortel? Als hij mijn vragende gezicht ziet, maakt hij een rondje met de duim en wijsvinger van zijn linker hand en stopt de wijsvinger van zijn rechterhand hierin. ‘Aha, to root betekent dus neuken.’ Nee, daarin moet ik hem teleurstellen. Wij zijn echt alleen maar naar de bibliotheek en de supermarkt gegaan.
Echt mooie vrouwen hebben we daar ook niet gezien, vooral hele dikke. Op de radio horen we dat er procentueel meer mensen met obesitas zijn dan in de VS. Australië is het dikste land ter wereld. Dat verbaast ons trouwens niets. Tijdens smoko, dat is de koffiepauze, eten onze collega’s chips met dipsaus of een opgewarmde big mac van de dag ervoor, uiteraard met een fles cola erbij. En dan zitten ze de hele dag op hun reet in een voertuig. Lukas en ik eten altijd een appel en een sinaasappel tijdens smoko en dat vinden zij dan weer raar.
Hoewel ze niet zoveel bewegen, zijn ze allemaal sportgek. De grootste sport in Queensland is Rugby League. Dat noemen ze hier football of footy omdat de bal in het spel moet worden gebracht met de voet. De grootste wedstrijd is de State of Origin. Dat is een wedstrijd tussen de beste spelers uit New South Wales en de beste uit  Queensland. Het is een best of three wedstrijd en na een 1-1 tussenstand maken wij de beslissende wedstrijd mee. De feedlot heeft speciaal voor deze gebeurtenis een zaal afgehuurd in Dalby waar we met alle werknemers samen gaan eten. Daarna kijken we de wedstrijd, waarbij we onbeperkt mogen drinken. Queensland wint tot genoegen van onze collega’s de beslissende wedstrijd.
De volgende ochtend moeten we gewoon weer om zeven uur werken. Tijdens smoko vertelt Aboriginal John over de hete serveerster. Waarop Lukas vraagt: ‘John, hoe oud was ze?’ -‘I don’t know, old enough to fuck. I’m going there tonight again.‘ Lukas en ik moeten hier erg om lachen, aangezien John ergens in de vijftig is en de arme serveerster niet veel ouder dan achttien zal zijn.
John is een van de twee Aboriginals op de feedlot. Dat zijn erg kleurrijke figuren, maar hard werken doen ze niet. Dat wekt nogal eens irritatie op bij de andere werknemers die ze als black cunts beschrijven. Niet dat dit meteen heel erg negatief is, want de woorden fucking en cunt behoren hier tot het standaard vocabulaire. De Abo’s gebruiken deze woorden nog het meest. Ze gebruiken het woord cunt bijvoorbeeld om van alles te omschrijven van een koffiemok tot een voertruck.
Wij proberen deze slang niet over te nemen, al betrappen wij onszelf erop het woord fucking ook steeds vaker in de mond te nemen. De koffiepauze is allang geen morning tea meer voor ons, maar gewoon smoko. En de auto’s op de feedlot beschrijven we ook niet meer met het woord car maar met ute.

Ondertussen wordt ons takenpakket steeds verder uitgebreid en doen we naast het tubgrinden ook andere klusjes. Zo leren we beiden de voertruck, de bobcat en een shovel te besturen. Met de shovel moeten we naar de screening plant, waar we achttien maanden oude en opgedroogde menure in een machine moeten gooien. Boeren kopen de fijne menure om hun land te bemesten. Hiervoor moet het door een zeef om het fijne van de grote brokken te scheiden. Het is gaaf om de shovel te besturen, minder gaaf is dat je na een dag menure scheppen onder de opgedroogde koeienstront zit. De ochtend begint ook met stront. De koeien schuren hun kont graag tegen de hekken aan en schijten dan in hun voerbakken. Daarna willen ze daar natuurlijk niet meer uit eten. Lukas en ik moeten daarom elke ochtend met een schep in onze hand alle voerbakken bij langs gaan en ze waar nodig schoon scheppen. Lukas had dit eerder gedaan en mocht het mij leren. ‘Ik ben een ervaren strontschepper’ zegt hij. ‘Ik zou dat op mijn cv moeten zetten.’ Deze lange wandeling langs de eindeloze voerbakken is een erg relaxte manier om de dag te beginnen. Af en toe een praatje maken met de cowboys die het vee controleren en hier en daar wat stront scheppen en langzaam wakker worden.

Lukas en ik hebben wel door dat we het goed hebben getroffen met dit baantje. Tijdens het fruit plukken moesten we hard werken om geld te verdienen. We werden immers betaald per hoeveelheid geplukt fruit. Nu krijgen we per uur betaald en zitten we meestal op onze luie reet in een voertuig. Na een dag fruit plukken waren we gesloopt, nu valt dat reuze mee. We zijn wel moe, maar dat komt omdat we zo lang werken, niet omdat we zo hard moeten werken.
We verdienen hier per week ook meer en hebben geen kosten aan accommodatie. De enige kosten die wij maken zijn aan internet en aan onze wekelijkse boodschappen. Deze zijn nooit hoger dan 100 dollar per week. Het sparen lukt dus goed. Wat ook helpt, is dat we een hele grote zak met vlees hebben gekregen. En niet zomaar vlees, maar vlees van de feedlot. Ik durf te stellen dat ik nog nooit zo’n lekkere steak heb gegeten.
Verder is het gewoon erg relaxt op de feedlot. Er is nooit ergens stress. En als er een keer iets kapot gaat, dan repareren de monteurs dat en dan zeggen ze tegen ons: ‘Just look busy.‘ Ook is er altijd even tijd voor een praatje. Zo vertelt Marty, één van de oudere werknemers, dat de opwarming van de aarde hier in Australië echt een probleem is. ‘Vroeger hadden we altijd genoeg regen’ vertelt hij. ‘Ik heb toen de boerderij van mijn vader overgenomen en nooit hadden we een probleem. Maar sinds de jaren negentig werd het steeds minder. Toen ik een paar jaar geleden de kans kreeg om mijn boerderij te verkopen, hoefde ik daar niet lang over na te denken’.
Op het weerbericht is er ook veel aandacht voor de hoeveelheid regen. In Queensland valt er te weinig en het meer waaruit het drinkwater gehaald wordt, is nog maar voor veertig procent vol. Dagelijks krijgen wij een update over hoe hoog het water staat. Ook zijn er codes die de burger vertellen hoe zuinig ze moeten doen met water. Op het weerbericht vertellen ze bijvoorbeeld dat je je auto niet meer mag wassen met de tuinslang. Als Nederlander is dit soms een beetje moeilijk te begrijpen.
Na een aantal weken kijken we ook wel weer uit om terug naar de bewoonde wereld te gaan en weer te gaan genieten. Hoewel die bewoonde wereld ook beangstigend kan zijn. Als er een aantal dagen voor ons vertrek een vreemde vrouw op de feedlot arriveert zegt Lukas: ‘Wat een lekker ding!’ Ik vind het wel meevallen, maar zo zegt Lukas: ‘Ik werk nu al dertien weken op een boerderij en heb mijn vriendin al vier maanden niet gezien. Voor mij is elke meid nu een lekker ding. Hoe moet dat straks als we de bewoonde wereld weer ingaan?’
Een paar dagen later stop ik na zevenenhalve week werken. Met het fruit plukken erbij heb ik dan elf weken gewerkt. Net niet genoeg voor een tweede visum. Maar door een belasting trucje krijg ik slechts 38 uur per week uitbetaald en dus krijg ik nog een aantal weken doorbetaald en kom ik ruim over de drie maanden te zitten. Ik heb mijn tweede Working Holiday visum dus in de pocket. Net zoals 5500 dollar spaargeld. Tijd om daarvan te gaan genieten.

Advertenties

Over hleutscher

Hallo. Ik ben Henk Leutscher, geboren in 1984. Voorheen Wereldreiziger en daarvoor een tijdje leraar geschiedenis. Sinds januari 2012 weer inwoner van Leeuwarden.
Dit bericht werd geplaatst in Naar Australië en getagged met , , , , , . Maak dit favoriet permalink.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

w

Verbinden met %s