Microadventure: Liftend naar Antwerpen

Soms lachen ze terug, soms halen ze hun schouders op, soms wijzen ze met hun vinger naar beneden en soms proberen ze ons te negeren. De meeste auto’s rijden ons voorbij. We houden een kartonnen bord met de tekst ‘Utrecht’ vast, waar we al snel ‘Zwolle’ aan toevoegen. Elke auto die voorbijkomt krijgt van ons een gek dansje, onze grootste glimlach en een blik die zegt: ‘Neem ons mee!’ De meeste auto’s rijden ons echter voorbij. Dan stopt er een zwarte Suzuki Swift. Het raampje gaat naar beneden en de man zegt ‘Ik kan jullie wel tot Heerenveen meenemen.’

lifterroelie

Het doel is Antwerpen, want daar woont onze vriend Erwin. We kennen hem van het Noordelijk Film Festival waar we allen vrijwilliger zijn. Omdat het altijd zo gezellig is besloten we ook na het festival af te spreken en samen films te kijken. Met vijf achtergebleven vrienden besloten we hem eindelijk eens op te zoeken voor een weekendje Antwerpen.

Voor avontuur hoef je helemaal niet naar de andere kant van de wereld en het hoeft ook niet veel te kosten. Dat hebben wij met Zwerflust ook proberen duidelijk te maken. Naar Antwerpen kan je natuurlijk heel gemakkelijk met de auto of trein komen. Maar ik was geïnspireerd geraakt door het blog van Alastair Humphreys over microadventures en ik wilde het iets anders gaan ondernemen: Ik stelde voor om te gaan liften. Tot mijn verbazing was iedereen enthousiast. Ik was wel even vergeten dat dit wellicht niet het beste seizoen was om te liften.

Aatlsje besloot met de auto te gaan, waardoor wij met twee teams van 2 overbleven voor een liftwedstrijd die om 9:00 zou beginnen.  Dennis stapt om 9:10 uit de trein in Groningen en begon daar met Wytse. Roelie en ik staan pas om tien voor tien op de Overijsselseweg in Leeuwarden. Twintig minuten later stappen we in de Suzuki Swift van Rinze. Een wat verwarde man van rond de vijftig die in zijn jeugd ook had gelift in Scandinavië. Van zijn verdere verhalen begrijpen we weinig. Hij zet ons af bij de McDonalds in Heerenveen. Daar lopen we naar de bushalte bij de rotonde en houden ons bordje wederom omhoog. De vierde auto stopt al.

Het is Rinus die net zijn vader uit de Tjongerschans, het ziekenhuis in Heerenveen, had opgehaald. ‘Hartkwalen. Hij deed het niet goed meer, maar ze hebben hem weer gerepareerd’. Rinus had nog nooit lifters meegenomen maar ‘een glimlach doet veel goeds’ aldus Rinus. Hij neemt ons mee naar Steenwijk waar hij in de buurt een camping heeft. Hij heeft ook een aantal chalets, die doen het ook goed in de winter. Bij mensen die in scheiding liggen of tijdelijk iets nodig hebben. ‘Dit doen we nu al 15 jaar. Als de relatie niet zo lekker meer loopt dan zeggen ze al; moet je Rinus niet even bellen?’ Vlak voordat we worden afgezet in Steenwijk geven we ze beiden een symbolisch frysk dumke.

In Steenwijk worden we afgezet bij de afrit en lopen we naar de oprit, waar we wederom niet lang hoeven te wachten. We worden opgepikt door Loes die haar zus in Enschede gaat opzoeken. Loes haar auto is een beetje rommelig en er moet het een en ander aan de kant worden geschoven voordat we er in kunnen. Op haar stoel is zo te zien ook meerdere malen wat koffie gegaan, maar we hebben weer een lift. Ook Loes had vroeger gelift, vooral van school naar huis. Ze was te lui om te fietsen en dan ging ze gewoon liften. Wel nam ze altijd haar helm mee, ‘dan leek het immers net alsof ik pech had. En ik had dan ook het gevoel dat ik iemand een tik kon verkopen als ik het niet vertrouwde.’ Loes zet ons vlak voor Zwolle, bij een Shell Tankstation af.

In Zwolle hoeven we wederom niet lang te wachten. We worden opgepikt door een jongen die gehuurde auto’s moet terugbrengen. ‘Dit mag natuurlijk niet, maargoed dat merkt toch niemand. Ik moet toch die kant op.’ Hij had net stage gelopen in Mauritius en terug in Nederland had hij dus een bijbaantje waarbij hij auto’s ergens naar toe rijdt en vervolgens met de trein naar huis gaat. Ook hij had gelift, vooral in Frankrijk, alleen sprak hij geen Frans. ‘Dat was wel minder.’ Het zet ons af in Amersfoort.

Tot nu toe was onze reis erg voorspoedig verlopen. We hadden op elke plek binnen 20 minuten een nieuwe lift. In Amersfoort wilden we echter een lift die ons voorbij Utrecht hielp, en dat duurde even langer. We kregen wel liften aangeboden, maar geen ging voorbij Utrecht. Tot dat er een echtpaar stopte met een nummerbord uit Stadskanaal. Ze gingen naar Rotterdam en wilden ons wel bij Gorinchem afzetten. Hier hadden we een uur op moeten wachten, maar dat voelde helemaal niet lang. De man was kinderarts en kwam oorspronkelijk uit Lodz in Polen. Ze gingen naar een tenniswedstrijd in Rotterdam. Doordat de man tijdens leuke gesprekken zijn Pools gesproken tomtom volgt gaat hij niet langs Gorinchem en zet hij ons uiteindelijk af bij Capelle aan de Ijsel, vlak voor Rotterdam.

lifterhenk

Als we uitstappen is Roelie ineens chagie: ‘Ik ben er wel klaar mee. Als we nu een auto hadden waren we er al lang geweest.’ Als ik vervolgens Dordrecht op het bordje schrijf is het ook niet goed, het was veel te klein opgeschreven. In Amersfoort was alles nog zo leuk, en ik vond de lift de meest interessante tot zover. Roelie vond het ‘vermoeiend’. Na een bakje koffie van het benzinestation is alles weer goed en is Roelie weer de oude. We doen onze gekke dansjes weer en geven elke voorbijganger onze grootste glimlach. De meeste mensen moeten echter naar Rotterdam en slaan niet af richting Dordrecht. Het duurt daarom lang voordat we de volgende lift krijgen. Van het andere team horen we dat zij 2 uur hebben stilgestaan bij Arnhem. Dat doet ons moraal goed. Wij staan 1,5 uur stil, maar hebben ondertussen wel lol. Een waardetransport auto van Brinks stopt als geintje en als er een auto met Belgisch nummerbord stopt laten we ons bordje ‘Antwerpen’ nog wilder zien. Het blijkt echter een Nederlander die ook naar Rotterdam moet. Ook vergeet een man dat hij zijn kop koffie nog op het dak van zijn auto heeft staan. Een motorrijder moet wel naar Dordt, en als we een helm mee hadden mochten we mee.

Uiteindelijk stopt er een jongen met een grote zonnebril en een klussersbus. Hij was net klaar met werken en was eigenlijk verkeerd gereden. Hij moest naar Papendrecht dus hij kon ons wel een stukje verder helpen. Hij had slechts een keer eerder lifters meegenomen. Dat waren bloedmooie vrouwen. Die moest hij wel meenemen. Het bleken Russische vrouwen te zijn. Wij hadden een goede uitstraling volgens hem. ‘Twee hoofddoeken, had ik natuurlijk niet meegenomen.’  Hij neemt ons mee over ons dooie punt en rijdt zelfs nog wat om, om ons af te zetten bij een benzinestation voor de Moerdijkbrug.

Daar staan we nog geen vijf minuten of we worden al weer opgepikt door een vrouw die met haar dochter op bezoek zou gaan bij haar zus en zwager in Breda. Lang zitten we niet bij haar in de auto. Ze zet ons af bij het laatste benzinestation voor Breda. Daar horen we van Aaltsje dat Dennis en Wytse op 60km van Antwerpen zitten. Wij zitten op 56km. We liggen dus voor.

lifen

Niet veel later stopt er een busje. ‘Ik moet eerst even pissen’ is het eerste dat hij tegen ons zegt. Hij rijdt door naar de parkeerplaats en plast tegen een boom aan. Wij lopen naar zijn busje waarop ‘De klusbus van Jan’ te lezen valt. Jan ging carnaval vieren in Maastricht en om de files te omzeilen in Eindhoven ging hij via Antwerpen. De ideale lift dus. Hij kwam uit Gouda en was daar lange tijd een mannetje van alles bij een woonstichting. Inmiddels heeft hij dus zijn eigen klusbedrijf.

Als hij ons even voorbij het knooppunt Antwerpen oost afzet, zie ik op mijn telefoon dat ik 20 minuten geleden een sms’je heb gekregen van Dennis: ‘Wij voor de poorten’. Zullen ze ons toch voorbij gegaan zijn?  Op onze telefoon zien we dat het nog 2,8 km naar ons hostel is. Snelwandelend vliegen we door de Antwerpse straten, langs orthodoxe joden en winkels waar ze velo’s verkopen. Om 18:34 stappen we het hostel binnen en daar komen wij als eerste aan. Wytse en Dennis komen een half uur later binnen lopen. Het was een zeer geslaagd microadventure. Wat wordt het volgende microadventure?

Advertenties
Geplaatst in Leeuwarden | Tags: , , , , | Een reactie plaatsen

Zwerflust

Toen ik 17 was deed ik eindexamen voor de Havo. Ik wist eigenlijk niet echt wat ik daarna moest doen. Ik deed een beroepentest en daar kwamen twee dingen uit: Overheidsmanagement en Leraar geschiedenis. Ik ging naar de open dag in Leeuwarden en besloot vervolgens na de zomer daar overheidsmanagement te gaan studeren. Na een jaar stopte ik met de opleiding en ging ik de lerarenopleiding geschiedenis studeren. Deze opleiding maakte ik wel af. Ik gaf zelfs nog even les, maar ik besloot dat dit toch ook niet echt mijn ding was.

Soms vraag ik mij wel eens af wat er van mij terecht was gekomen als er op mijn 17e iemand naar mij toe was gekomen en had gezegd. Je talent verdwijnt niet, trek eerst maar eens de wijde wereld in en ga daarna maar eens kijken wat je wil studeren. Toen ik 17 was had ik geen idee wat ik wilde, maar iedereen ging studeren, dus ik ook. Ik denk dat ik toen veel beter een jaar had kunnen werken en daarna had moeten reizen. En daarna had ik nog genoeg tijd om eens te gaan studeren en een vak te leren.

Spijt heb ik niet, want de keuzes die ik toen maakte hebben mij gemaakt tot wie ik ben. Ik ben verknocht op mijn stadsje Leeuwarden. Ik heb er zelfs mijn toeristische bedrijfje opgezet en geef er rondleidingen. Mijn leraren geschiedenis achtergrond komt daarbij erg van pas. Op de opleiding leerde ik mijn beste vriend Pieter kennen en samen maken we nog steeds reizen. In Leeuwarden leerde ik ook mijn droomvrouw kennen. Met Roelie hoop ik er binnenkort zelfs te gaan samenwonen. De reizen die ik alleen, met Pieter en met Roelie maakte zijn door mijn ervaringen een stuk rijker geworden, dan wanneer ik dit had gedaan als 17 jarige.

Toch denk ik nog steeds dat veel 17 jarigen er baat bij hebben om eerst te gaan werken en te gaan reizen voordat ze gaan studeren. Ik ben niet de enige die hier zo over denkt. Daarom hebben een aantal van mijn reislustige, avontuurlijke zwervende vrienden een collectief opgericht: Zwerflust. Samen geven wij inspirerende lezingen op scholen. Om eindexamen kandidaten te inspireren om te gaan werken en reizen voordat ze gaan studeren en vooral om meer avontuur te beleven.

Ons collectief bestaat oa. uit Coen die net een jaar een EVS heeft gedaan in Roemenie, Zippora die muzikant is en een jaar op een volksschool in Noorwegen heeft gezeten, Remco die met een motor rond de wereld wil reizen, Ronald die Fotograaf is en een hele gave fotoreis door Bosnië heeft gemaakt, Erwin die aan WWOOF doet en van Hongarije naar Nederland heeft gefietst en ons middelpunt en initiator Isa die net een jaar door Australië en Nieuw-Zeeland heeft gereisd.

In December 2014 gaven wij onze eerste lezing op het Piter Jelles Impulz in Leeuwarden. Stuk voor stuk hebben we inspirerende verhalen verteld en gesproken met de leerlingen over alle mogelijkheden die ze hebben. Aan het einde van de les hebben we een bucketlist samengesteld en lieten we geïnspireerde zwervertjes achter ons. Wij gaan dit zeker vaker doen!

Geplaatst in Leeuwarden, Zwerflust | Tags: , , , , | Een reactie plaatsen

8 De varkenshouderij

Aan het einde van mijn jaar in Australië raak ik ook aan het einde van mijn geld. Maar ik heb nog een stukje reis over. En dus bel ik weer met oom Dick en vraag hem of hij nog wat werk voor mij kan vinden. Hij belt wat later terug met het goede nieuws, dat hij waarschijnlijk een baantje voor mij heeft gevonden op een varkenshouderij. ‘Het is vast een goed baantje voor je. Er hebben eerder een aantal Duitse meiden gewerkt. En je accommodatie is waarschijnlijk in een huis met Nederlanders. Maar je kunt toch wel goed opschieten met Nederlanders hè?’ zegt oom Dick. -‘Euh..Ik ben zelf Nederlands’ antwoord ik. ‘Wat stom, waarom heb ik hier dan Duits staan? Je hoort zo snel mogelijk meer van mij.’
Een dag later belt hij weer. ‘Ik heb een baantje voor je gevonden op een varkenshouderij. Het is iets anders dan waar ik gister over belde. Het is in Goondiwindi, op dezelfde varkenshouderij waar Lukas ook heeft gewerkt. Ze hebben een ervaren shovelbestuurder nodig, omdat de jongen die het werk nu doet, begin volgende week vertrekt. Je moet dus zo snel mogelijk naar Goondiwindi, zodat hij je nog kan inwerken.’
Ik sta de volgende ochtend om half zes op en ga met een airport shuttle naar het vliegveld. Vandaar vlieg ik naar Brisbane. Dan snel met de trein naar het busstation en om 10:45 uur pak ik de bus naar Goondiwindi. Daar kom ik nog eens vijf uur later aan en word ik opgewacht door mevrouw Golder, die mij naar het caravanpark brengt. Daar krijg ik voor veertig dollar een caravan. Ik doe gelijk boodschappen voor een week en dan zit ik daar helemaal alleen in mijn caravan. Ik zit in Goondiwindi of all places. In the middle of nowhere. Ik ben moe van een lange dag reizen en ik mis mijn vrienden van onderweg.

Om kwart voor vijf in de ochtend word ik opgepikt door een man met een pick-up. Een uur later zet hij mij af op mijn nieuwe werkplek. Het is dus echt in de middle of nowhere, een uur van Goondiwindi! Ik leer mijn nieuwe collega’s Harvey, Duncan en Richard kennen. De Zuid-Afrikaanse manager Harvey vertelt mij wat er van mij verwacht wordt: ‘Wij hebben hier zes silo’s die gevuld zijn met Blood, Canola, Meatmeal, Soya, Full Fat Soya en Millrun. Dat zijn allemaal proteïnen, die ervoor zorgen dat de varkens sneller groeien. Jouw job is simpelweg ervoor zorgen dat die silo’s nooit leeg raken. Dat is eigenlijk je hele job. Je gaat het werk overnemen van Richard en hij zal je laten zien hoe je die silo’s vol houdt’.
Omdat het regenachtig is, kunnen we niet veel doen. Richard leidt me wel rond op de feedmill. Hij neemt me eerst mee naar een grote loods waar een grote berg Millrun ligt en bloed in grote zakken ligt opgeslagen. Daarna neemt hij me mee naar de bunkers aan de buitenkant van de loods. Hierin ligt het andere voer opgeslagen. ‘Dit voer wordt elke week in bulk geleverd door vrachtwagens’ zegt Richard. ‘Je moet deze voor en na het leveren wegen. Tevens moet je een sample van het voer nemen en de vochtigheid meten. Dit moet je allemaal registreren. Als je dat hebt gedaan kan de vrachtwagenchauffeur beginnen met ontladen. Je zult daarna het voer nog wel wat moeten aanduwen met de shovel.’ Tenslotte rijd ik een stukje op de shovel, een oude Caterpiler 933, en ik leer de vorkheftruck te besturen, tevens een oud ding.
’s Middags gaan we naar de accommodatie. ‘This is home‘ zegt Richard als we aankomen. De feedmill heeft een eigen appartementje met douche, wc en keuken. Als Richard is vertrokken, heb ik dit hele appartementje voor mijzelf. Ik heb het weer goed getroffen. Er werken hier nog veel meer backpackers, zij moeten een slaapkamer met z’n tweeën delen. Ze moeten ook gebruik maken van de gemeenschappelijke keuken en douches. De andere backpackers werken de hele dag in de stallen van de varkens. Ze injecteren de varkens met antibiotica en maken de stallen schoon. En dat kan je ruiken ook, zelfs nadat ze zich gedoucht hebben.

Maandag is de eerste dag dat er wat gedaan kan worden op de feedmill. Het is de laatste dag dat Richard mij kan laten zien hoe het moet. Daarna ben ik alleen verantwoordelijk voor de zes silo’s. Mijn dagen zien er vanaf dat moment hetzelfde uit en beginnen om zes uur in de ochtend op de feedmill. Die is ongeveer tien minuten lopen vanaf de accommodatie. Onderweg eet ik mijn brekky, terwijl de kangoeroes ondertussen voorbij springen. Het eerste wat ik op de feedmill doe, is een kijkje nemen in de silo’s. Aan de hand van die informatie, vul ik de silo waarbij dat nodig is. Dit doe ik door het voer met een shovel op te halen en in een greppel onder aan de silo’s te gooien. Per keer gooi ik ongeveer twee tot drie ton voer in de greppel. Een buis met daarin een spiraalvormige schroef brengt het voer omhoog. Ik moet dan gewoon wachten, totdat al het voer in de silo is gebracht. Wel houd ik een oogje op de lift, want die wil nog wel eens verstoppen. Ondertussen luister ik lekker naar mijn eigen muziek.
De eerste week heb ik nog wel wat opstartprobleempjes. Zo ram ik met de shovel de deur van de bunker, die daardoor vervolgens niet zo goed meer dicht kan. Ik verlies een aantal pakken voer van mijn pallets tijdens het ontladen van een vrachtwagen en ik vergeet eens het wiel onderaan de silo te verzetten, waardoor de lift bloed in de silo met Millrun gooit. Maar naast deze opstartprobleempjes vergaat het me prima. Aan het einde van de week krijg ik zelfs de complimenten van de manager als ik 54 ton Meatmeal in een bunker weet te passen.

Vrijdagmiddag is het weekend en dan gaan we to town. Hiervoor moeten we 80 kilometer rijden en dan komen we aan in Goondiwindi, dat met 5000 inwoners ook niet echt een metropool is. Toch is het een hoogtepunt in de week. Want we kunnen internetten, de kroeg in en zien weer eens andere mensen. Omdat ik geen eigen vervoer heb, rijd ik  met de Duitsers mee. Zij hebben een oude camper en daarin spelen we onderweg naar Goondi poker. Bij de Bi-Lo supermarkt doen we onze boodschappen voor een week, die op de terugweg samen met ons in de camper moeten passen.
Na het doen van de boodschappen is het elke week weer een race wie als eerste een computer krijgt. In Goondi zijn er drie in de bieb en in een gameshop zijn er nog eens zes. Naast het internetten is het ook leuk om andere mensen te ontmoeten. De bibliothecaressen vinden ons erg interessant. Ook andere inwoners van Goondi maken graag een praatje met ons, als ze merken dat wij uit het buitenland komen. Twee van mijn Duitse collega’s worden zo uitgenodigd voor een diner. De Duitsers verontschuldigen zich: ‘Wij zijn niet alleen.’ -‘Maakt niet uit, je kan je vrienden ook meenemen’ antwoordt de vrouw. ‘Met hoeveel zijn jullie?’  ‘Zeven’ antwoorden de Duitsers. -‘No worries‘ zegt de vrouw die haar winkelmandje terugbrengt en terug komt met een karretje, gevuld met vlees. Later die avond hebben we bij haar een barbie. Het is typerend voor de gastvrijheid van Australiërs.
Alles na de vrijdag is een let down. Ik heb twee dagen weekend, maar weet niet goed wat ik met die tijd moet doen. Ik zit hier in de middle of nowhere. Er is hier geen telefoonsignaal en geen internet. Buiten is het overdag te heet om iets te doen en ’s avonds hebben we vaak onweer. Het enige wat ik in het weekend doe, is lezen en films kijken. De verveling en afzondering leidt bij velen tot overmatige consumptie van alcohol. Nog dronken van de vorige nacht, staan sommigen de volgende ochtend, voor zessen, weer op. Ik moet denken aan de woorden van oom Dick, die ooit tegen mij zei dat alcohol en drugs absoluut niet getolereerd worden. Ik probeer de alcoholconsumptie tot een minimum te beperken. Ik ben hier immers om geld te verdienen en niet om het te verdrinken.

Ik ben blij als ik maandag weer kan beginnen met werken. Na de opstartprobleempjes van de eerste week, gaat het me steeds beter af. Ik leer ook meer over het voer dat de varkens krijgen. Eigenlijk zijn het allemaal restproducten, die overblijven bij het produceren van voedsel voor mensen. Zo is Millrun het restproduct van bloem. Canola het bijproduct van koolzaadolie en Soya is een bijproduct van het maken van Sojabonen olie. Meatmeal en Blood zijn restproducten van de slager. Meatmeal is een poeder die bestaat uit verpulverde botten, vlees en organen. Blood is opgedroogde koeienbloed in poedervorm.
Het bloed wordt in tegenstelling tot het andere voer niet in bulk, maar in zakken van duizend kilo geleverd. Elke twee week komt er een nieuwe vrachtwagen langs om nieuwe zakken te leveren. Het opgedroogde bloed is een erg fijne substantie. Het vullen van de silo met bloed vergt dan ook wat speciale aandacht. Met de vorkheftruck lift ik een zak boven de greppel en dan maak ik met een mes een groot gat aan de onderkant van de zak. Het bloed stroomt vervolgens uit de zak, terwijl het ondertussen flink opstuift. Op dagen dat ik de silo met bloed vul, kom ik aan het einde van de dag altijd rood terug.
Naast de zes silo’s die ik bijhoud, zijn er ook nog twee grote silo’s met sorghum en mais. Hiernaast zijn Harvey en Duncan in de loods bezig om ander voer in kleinere hoeveelheden te prepareren. Zij voegen voer als weipoeder, kalksteen, vismeel, zout, lysine en medicijnen toe. Uiteindelijk wordt dit allemaal gemixt. Een vrachtwagen brengt het voer vervolgens naar de varkensstallen. Ik vond het toen maar een vreemd dieet dat die varkens krijgen. Maar als ik op de verpakking van mijn eigen eten kijk, zie ik tot mijn schrik veel dezelfde producten terugkeren.
Na het werk spendeer ik de meeste tijd met de Duitsers. Geregeld maken we een kampvuur en zitten we lekker te ouwehoeren. Nadat ze er achter zijn gekomen dat ik ook Duits versta, spreken ze steeds vaker Duits in mijn bijzijn. Nu vind ik dat niet zo erg, want ik begrijp het meestal wel. Ik beschouw het wel als een zegen dat ik mij zo makkelijk kan aanpassen. Als Nederlander wellicht een vanzelfsprekendheid. Maar veel Fransen, Duitsers en Engelsen laten zien dat dit niet voor iedereen gewoon is.
Ik heb bijna mijn hele reis Engels gesproken. Naast het praten, denk ik nu ook in het Engels. Er is echter één ding dat ik na al die tijd in het Nederlands blijf doen; tellen. Mijn Zuid-Afrikaanse baas blijkt hetzelfde te doen, ook hij blijft in zijn moedertaal tellen. Hij is hier nu drie jaar en doet alles in het Engels, maar tellen blijft hij in het Afrikaans doen. Het is toch vreemd hoe je hersenen werken. Want allebei kunnen wij best in het Engels tellen. Toch blijven wij het automatisch in onze moedertaal doen.

Ik heb berekend dat ik na vijf weken genoeg geld over heb om de laatste weken van mijn reis door te komen. Ik heb Harvey verteld wanneer ik vertrek. Ondertussen vliegen de weken voorbij. De zomer, die hier in Australië in oktober begint, komt steeds dichterbij. Aangezien ik de hele tijd buiten werk, ben ik blij dat ik de zomer hier niet werkend hoef mee te maken. Volgens Duncan worden hier in de zomer temperaturen gemeten van rond de 45 graden! De vliegen komen ondertussen ook in steeds grotere getallen. Eén van de vrachtwagenchauffeurs vertelt me dat het hier binnenkort zwart van de vliegen staat.
De zomer brengt ook veel onweer en stortbuien in de avonden. Voor mij is het zaak om de bunkers goed af te sluiten en het zeil goed vast te binden. Als er water bij het voer komt, gaat het rotten. Het is bovendien een ideale plek voor maden. Dat is allemaal geen fijn aangezicht en het ruikt ook allesbehalve fris. Ik heb al een paar keer de neiging gehad om over mijn nek te gaan.
Aangezien het warmer wordt, komen ook de slangen te voorschijn. Althans dat is wat iedereen zegt: ‘The snakes are comming out!‘ Het is een zin die men hier graag in de mond mag nemen. Ik zie echter enkel dode slangen. Dan worden er grapjes gemaakt, dat we die wel op de barbie kunnen doen. Maar dat hebben we nooit gedaan. Wel hebben we kangoeroe gegeten. De concreters, dat zijn gasten die beton leggen voor de nieuwe stallen, schieten kangoeroes en verkopen het vlees op de zwarte markt. Zo hebben ze er ook ééntje voor ons neergeschoten. Het beest wordt voor onze ogen van zijn hoofd en vacht ontdaan. Een half uur later ligt het op de barbie.
Op mijn laatste dag op de feedmill heb ik mijn opvolger al ingewerkt en doe ik wat klusjes op mijn gemak. Alles met een grote glimlach op mijn gezicht. De vijf weken zijn bijna voorbij. Er zijn hier rond de 60.000 varkens, maar behoudens een paar trucks op afstand, heb ik nooit een varken gezien. De varkensstallen zijn allemaal een paar kilometer verderop en daar kom ik niet. Om drie uur stop ik met werken. Ik neem afscheid van Harvey en Duncan en verontschuldig mij dat ik niet langer kan blijven. ‘Maar Duncan en jij kunnen niet tegen de vrouwen aan de kust op’ zeg ik. Dat kan Harvey begrijpen. Hij bedankt me voor mijn diensten en waarschuwt mij dat ik mijn leven niet door vrouwen moet laten bepalen, anders zou ik zoals hem eindigen. Daarna loop ik met een grote glimlach de feedmill uit met Xavier Rudd op mijn Mp3 speler.’Everything’s gonna be allright, Everythings gonna be allright now!’

Geplaatst in Naar Australië | Tags: , , , , , , | Een reactie plaatsen

7 The Gibb River Road

Het mooiste stuk van de Kimberley ligt aan de Gibb River Road. Deze 664 km lange weg is enkel dirt road. Gedurende the wet is de weg afgesloten, omdat hij bijna geheel onder water staat. Ook nu nog moeten we af en toe nog door het water. De weg is enkel met een auto met vierwielaandrijving te bereizen. De komende dagen zullen we de rotskloven aan deze weg bezoeken. De eerste rotskloof is Emma Gorge. Des te verder we van haar parkeerplaats komen, des te wilder het terrein wordt. Uiteindelijk stappen we van rotsblok naar rotsblok en dan zien we ineens een gigantische rotskloof voor ons opduiken. De 64 meter hoge donkerrode kloof is deels begroeid met groene planten. Door de diepte krijgt de zon niet de kans het water onder aan de kloof op te warmen. Hierdoor is het zwemmen in de kloof een koude bedoening. Gelukkig loopt er langs de zijkant een kleine waterval, waarvan het water door de wrijving warm is. Wij warmen ons hier dankbaar aan op.
Na de lunch rijden we door naar de Barnet River Gorge. Om bij onze kampeerplek te komen, moeten wij over een aantal rotsen rijden. Ik had het niet voor mogelijk gehouden, dat je daar met een auto over heen zou kunnen.  Maar zelfs met aanhanger blijkt het mogelijk te zijn. We komen echter wel te laat voor de zonsondergang.

Als de zon weer opkomt, beginnen we de dag met een sprong van een vier meter hoge rots in de Barnet River. Na deze verfrissende duik pakken we onze spullen in en rijden we door naar Manning Gorge. Will vertelt ons daar, dat alles wat wij aan hebben, nat moet mogen worden. We volgen hem dwars door de laagstaande rivier en beginnen aan de overkant aan een wandeling over een goed onderhouden pad. Het landschap is dor en droog en er is weinig schaduw. In de brandende zon is het flink zweten. Na drie kwartier komen we aan bij Manning Gorge. Daar zorgt het water voor een welkome verfrissing. Dan klimmen we de rotsen op. Boven op de waterval spring ik twaalf meter naar beneden in het frisse water. Ik kom niet helemaal fijn neer, maar ik laat me er niet door weerhouden en klim nog een keer omhoog. Deze keer spring ik van iets minder hoog en kom ik beter in het water terecht.
In plaats van terug te lopen, zwemmen we stroomafwaarts terug. Aan beide kanten van de rivier verrijzen hoge rode rotsen. Hierdoor is het doodstil bij de rivier. Het enige dat wij horen is het geluid dat wij maken door ons voort te bewegen in het kabbelende water. Het is bijna onwerkelijk hoe mooi dit is. We stoppen onderweg even om een aantal rotstekeningen van Aboriginals te bekijken. Twee uur lang zwemmen we stroomafwaarts en komen uiteindelijk uitgeput, maar voldaan weer uit waar wij eerder deze dag waren begonnen.
Deze dag kan nu al niet meer stuk, maar het zou nog mooier worden. Want na de lunch rijden we door naar Galvans Gorge. Daar zien we gelijk een grote varaan. Wederom maken we een duik in het water van de rotskloof. We laten ons vervolgens masseren door het neervallende water van de waterval. Kamperen doen we vlakbij Adcock Gorge tussen de Boab bomen. Rond het kampvuur realiseren we ons wat voor geweldige dag wij hebben gehad. Wij voelen ons bevoorrecht doordat wij dit mooie stukje van Australië hebben gezien.

De Adcock Gorge is een stuk minder indrukwekkend. Wel maken we een mooie wandeling en zien we rotstekeningen en een begraafplaats van de Aboriginals. Bovenop de rotskloof hebben we een prachtig uitzicht over de wijde omgeving.
De volgende rotskloof is de rode Bell Gorge. Hier hoppen we over stenen in de Bell River om deze over te steken. Het water van de rivier weerspiegelt de blauwe lucht en spaarzame witte wolken. De rotsen om ons heen zijn rood en hier en daar voegen planten en bomen wat groene kleur aan dit palet toe. Voor ons zien wij een grote afgrond, die wij al klimmend en klauterend afdalen tot aan de voet van de rotskloof. Daar zwemmen we in het water onderaan de waterval. Op de rode rotsen lunchen we met uitzicht op de spectaculaire Bell Gorge. Will springt ondertussen van de twintig meter hoge rotskloof. Ik laat deze sprong aan mij voorbijgaan en lees lekker in mijn boek Into the Wild. Na de middag vertrekken we naar Lennard Gorge om te kamperen. Met een glaasje wijn genieten we van de zonsondergang. Het is de laatste avond, maar laat maken we het niet. We zijn moe van zoveel mooie indrukken.

In de ochtend klimmen we de Lennard Gorge af. Hierbij hebben we elkaars hulp soms hard nodig, want het is een lastige afdaling in de smalle kloof. Als we eindelijk beneden zijn, blijkt het zwemwater koud te zijn. Doordat de kloof zo smal is, kan de zon haar water niet verwarmen. We laten ons er niet door weerhouden en nemen een verfrissende duik.
Daarna rijden we naar Tunnel Creek. Op de parkeerplaats hangt een briefje waarop we gewaarschuwd worden voor een king brown snake. Dat is de twee na dodelijkste slang ter wereld! De slang ligt te zonnen op het wandelpad. Met een boog lopen we om de slang heen. Dan klimmen we over twee grote rotsblokken en lopen we de tunnel binnen. De tunnel staat half onderwater en is stikdonker. Boven ons hangen vleermuizen en terwijl we door het frisse water lopen, zien we ineens twee reflecterende ogen in het water opsteken, een krokodil! We lopen echter gewoon door en komen veilig weer terug.
De laatste rotskloof die we bezoeken is de Windjana Gorge. Het is de grootste en meest wijde rotskloof van de hele trip. In het midden stroomt de Lennard River. Zo’n drieënhalve kilometer lang verrijzen aan weerszijden van de rivier rotsen die er onheilspellend  uitzien. De kloof is wel honderd meter breed, maar nu aan het einde van het droge seizoen zit er niet veel water meer in de rivier. Wel zitten er krokodillen, heaps of them. In de rotsen zien we fossielen, want deze rotsformatie was ooit een koraalrif.
Er is nog maar een klein stukje Gibb River Road over, daarna gaan we weer verder over de verharde weg. Vlakbij Derby strekken wij onze benen nog één keer bij een grote boab boom. De boom is van binnen hol en deed ooit dienst als gevangenis. Daarna rijden we de laatste 220 km van onze roadtrip. Negen dagen na vertrek uit Darwin, met 3000 km meer op de teller, komen we aan in Broome.
We zijn weer terug in de beschaving. Het eerste wat we daar doen, is snacken bij Macky D. Daarna nemen we die lang begeerde douche, waar wij het negen dagen zonder hebben moeten doen. S’avonds gaan we naar de lokale pub, the Oasis. Donderdagavond is dè avond in de Oasis, want er is een wet t-shirt competitie! Goedkope vrouwen, maar met borsten zien is niets mis. Ik ben weer terug in de beschaafde wereld.

Vrijdagochtend worden we voor het eerst wakker in echte bedden. Samen gaan we naar Cable Beach. Als we de duin overlopen, ontwaart zich een turquoise zee en een parelwit strand. Vlak langs de kust vaart een zeilschip met grote witte zeilen. De dames zonnen op het strand en ik probeer een beetje te bodyboarden op de golven van de Indische oceaan. In de avond kleurt de lucht, die ’s middags nog zo fel blauw was, helemaal oranje. En dan lopen er ineens kamelen langs! Het is hier soms een beetje onwerkelijk.
s’Avonds gaan we samen met de taxi naar Ganteaume point. Want daar is een beachparty. Het is even zoeken om op het juiste feest te komen, want er zijn meerdere feestjes op het strand. Maar nadat we drie kleinere feestjes voorbij zijn gelopen, komen we bij het feest waar we willen zijn. Een boel vage lui onder de invloed van drugs en drank, muziek, een kampvuur en een nakende man die zijn ballen verbrandt bij een sprong over het kampvuur. Kortom een goed feest.
Als de drank op is, gaan Anika en Ruby met wat Engelse gasten in de taxi terug naar Broome. Nina en ik lopen de vijf km over het strand terug. Boven ons is het een regen van vallende sterren.
De volgende ochtend chillaxen we rond het zwembad. Onder de schaduw van de palmbomen liggen we allemaal in een hangmat. We lezen in onze boeken en eten ons fruit. Ondertussen maken we ook plannen om verder te reizen. Erin en Nina vliegen vandaag alweer naar huis. Anika heeft via gumtree.org een baantje geregeld in een hostel in Exmouth en wacht op een lift. Ruby is van plan om nog een tijdje in Broome te blijven. Ze wil het fenomeen Staircase to the moon zien. En ik? Ik weet het nog niet zo goed. Ik wil de rest van West-Australië bereizen. Een staat die zestig keer groter is dan Nederland. Er is dus genoeg te zien, maar ik weet nog niet helemaal hoe. Ik heb gelukkig nog voldoende tijd en geld. Dus voor nu blijf ik denk ik nog even in Broome. Maar dat kan morgen ook zo weer veranderen.

Geplaatst in Naar Australië | Tags: , , , , , , , , | Een reactie plaatsen

6 Van Dalby naar Kununurra

Voor de laatste keer rijd ik over de Bunya Hyw naar Dalby. De weg die Lukas en ik de afgelopen weken elke woensdag aflegden om zo’n twintig kilometer verder een broodje in de Subway te eten, het internet te gebruiken in de bibliotheek en boodschappen te doen in de Coles Supermarkt van Dalby. Lukas zit al in Nieuw-Zeeland. Met de geleende auto van huisgenoot Mark had ik hem een paar dagen eerder al om vijf uur ’s ochtends in Toowoomba afgezet. Omdat de dashboardverlichting van Mark’s auto niet werkte, was het rijden op gevoel. Uiteindelijk kwamen we, zonder geflitst te worden, net een paar minuten voor het vertrek bij de bushalte aan. Ik besloot nog een paar dagen door te werken. Ik had een terrific job gedaan op de feedlot, hadden ze me verteld. Nu word ik door Zweed Björn in Dalby afgezet en stap ik om drie uur op de Greyhound bus naar Toowoomba.
Ik ben weer onderweg. Mijn werkschoenen zitten onder in mijn rugzak opgeborgen en ik loop weer op slippers. Het is een doodgewone busrit, maar alles wat ik zie geeft me energie. Ik kan het niet vaak genoeg tegen mezelf zeggen: Ik ben weer onderweg! Ik ga dwars door de vruchtbare Darling Downs regio richting Toowoomba, waar ik een uur later op de top van de Dividing Range aankom. Ik moest nog even bij Dick langs. In de bus had ik nog even moeten denken over wat hij tegen me zei voordat ik begon met werken: ‘Je gaat nu het echte Australië zien.’ Hij had gelijk gekregen. Dit deel van Australië is heel anders dan langs de kust. Ik vul bij hem de nodige papieren in voor mijn supperannuation, de Australische AOWVlak voordat ik weer wil vertrekken zegt Dick: ‘Je denkt dat je nu al in de middle of nowhere was, maar je zou eens moeten werken in de bush, echt in de bush! Dat is nog heel anders. Wellicht iets voor de volgende job?’
Tegen de avond stap ik op de volgende Greyhound bus richting Brisbane. Ik verlaat de Dividing range en kom twee uur later aan op het Domestic Airport van Brisbane. Ik kijk mijn ogen uit, want ik zie overal mooie vrouwen. Die had ik de afgelopen weken niet meer gezien. Rond tien uur vlieg ik naar Darwin, the gateway city. Ik pak daar een taxi en laat mij rond twee uur bij de Ierse pub Shenanigans afzetten. Daar zie ik Jess weer en nog veel meer mooie vrouwen. Jess regelt goedkope whisky en om drie uur neemt ze me mee naar het Youth Shack hostel waar haar Canadese vriendin Jane mij incheckt.

Darwin is de hoofdstad van de Northern Territory. De dunstbevolkte staat van Australië. Wel lopen hier relatief veel Aboriginals rond, maar je krijgt niet altijd een positief beeld van hen. Velen zien er slecht uit en stinken naar drank. Het is hier ook altijd warm. Zelfs nu in de winter is het nog 31 graden. Darwin wordt de gateway city genoemd. Hier maken mensen plannen om naar Indonesië te gaan. Of naar Kakadu, Katherine Gorge, Litchfield of Arnhem Land. Voor mij is Darwin de gateway naar de Kimberley, het gebied in Noordwest Australië. De Finse Aada had mij begin dit jaar verteld dat dit volgens haar het mooiste gebied van Australië was. De Kimberley is een wilde regio die moeilijk te bereizen is. Tijdens het regenseizoen staan grote stukken onder water en zijn veel dirt roads afgesloten. In het droge seizoen, van april tot september, zijn de mooiste plekken met een auto met vierwielaandrijving te bereiken. Aangezien de gemiddelde backpacker niet zo’n auto heeft, had ik in de bibliotheek van Dalby een tour geboekt om de Kimberley te bezoeken.
Ondertussen ben ik nu al meer dan een half jaar op reis. De Lonely Planet is niet langer mijn bijbel. Het boek is gedegradeerd van heilig boek tot gids en naslagwerk. De meeste informatie krijg ik van mijn medereizigers. Maar soms is het toch wel handig dat je ook praktische achtergrondinformatie hebt. Als ik om half zeven opsta en mij bij de receptie meld, krijg ik van de nightmanager te horen dat ik een half uur te vroeg ben. ‘Je hebt je horloge nog op Sydney tijd staan!’ Ik wist niets van een tijdverschil tussen Dalby en Darwin.
Een half uur later stap ik alsnog in de 4wd van de Australische gids Will. Naast mij stappen ook de Zwitserse Nina en Erin uit Melbourne in. Engelse Ruby zit dan al in de auto. Een paar minuten later halen we onze laatste gast op; Anika. ‘Let’s get out of the city!‘ zegt Will. Al in de stad geraken we dan op de Stuart Hyw. De weg die dwars door Australië gaat en vernoemd is naar de eerste Europeaan die Australië van Zuid naar Noord doorreisde. Naarmate we verder van de stad raken wordt het zand roder en zien we steeds meer roadtrains. Deze vrachtwagens van monsterlijke proporties hebben soms wel vier aanhangwagens! De roadtrains zijn uiteraard niet erg wendbaar en stoppen nergens voor. Wij wijken dan ook elke keer uit, als we één tegen komen. Een roobar aan de voorkant vangt alles op wat in haar weg komt. Zoals de naam al prijsgeeft, zijn dit voornamelijk kangoeroes.
Onderweg stellen wij ons aan elkaar voor en vertellen we waar we vandaan komen. ‘I’m a Dutchy!‘ zegt Anika als we haar vragen waar ze vandaan komt. Als ik bevestig dat ik ook een Dutchy ben, vraagt ze waar ik vandaan kom. ‘Friesland, Leeuwarden’antwoord ik haar. -Nee! Ik ook! Welke buurt?’ ‘Het Vliet’. -Nee! Ik woon in de wijk Schieringen, dan zijn we bijna buren!’ We hebben jaren bijna naast elkaar gewoond maar komen elkaar pas tegen aan de andere kant van de wereld. De wereld is soms kleiner dan je denkt.
Met 300 km op de teller maken wij de eerste stop bij Edith Falls. We maken een verfrissende duik en rijden daarna door richting Katherine. Daar zien we veel Aboriginals en wederom krijgen we geen positief beeld van hen. Wij slaan alcohol in en gaan daarna nogmaals zwemmen in de Katherine Hot Springs. Dan verlaten we de Stuart Hyw en gaan we voor het eerst naar het westen over de Victoria Hyw. Deze weg verlaten we ook en aan de Buntine Hyw stoppen we bij de Coolibah Crocodile Farm om te overnachten aan de Victoria River.
We sprokkelen hout en maken een kampvuur om ons avondeten op te maken. Daarna rollen wij onze swags voor het eerst uit. Een swag is van oudsher een opgerolde bundel waarin landlopers al hun spullen in hadden. Onze swags zijn een stuk luxer. Ze zijn gemaakt van waterdicht materiaal en hebben een laag schuim onderin waardoor we een zacht matras hebben. Met mijn eigen slaapzak erbij heb ik een comfortabel bed. Als de lucht boven ons steeds donkerder wordt, zien we steeds meer vallende sterren en dan vallen we langzaam rond het kampvuur in slaap.

Het is koud als we wakker worden en het kampvuur is uit. Maar Will heeft het al snel weer aan de gang en kookt wat water en geeft ons allen een kopje thee. We rollen de swags op en rijden terug naar de Victoria Hyw en rijden door naar Lake Argyle. Onderweg passeren we de staatsgrens van West-Australië. Daar moet ik mijn horloge wederom anderhalf uur terug zetten. Lake Argyle is het grootste zoetwatermeer in Australië. Het is ontstaan door een dam in de Ord River. Terwijl het grootste deel van Australië met droogte kampt, ligt hier een zoetwatermeer waarmee de haven van Sydney negen keer kan worden gevuld, en niemand doet er iets mee. Naarmate de droogte erger wordt in Australië, zal er ongetwijfeld een pijp worden aangelegd om het water te transporteren.
Wij gebruiken het meer voor ontspanning en maken een boottocht. Onderweg zien we grote vissen, pelikanen, zoetwaterkrokodillen en rockwaliby’s. Op een eilandje sprokkelen we hout en onder het motto: When in Rome, do as the Romans do. Verven we onze gezichten met gele oker, want dat deden de Aboriginals ook. Midden op het meer ondergaan we de zonsondergang onder het genot van een alcoholische versnapering. Wanneer de zon onder is varen we naar een eiland om te gaan kamperen. Als we het eiland naderen, zegt Anika ineens: ‘Kijk een krokodil!’ Iedereen veronderstelt dat ze een grapje maakt, maar dan zien we allemaal dat daar inderdaad een krokodil ligt. Tien meter verder is onze kampeerplek. Het is gelukkig slechts een zoetwaterkrokodil. Als de boot dichterbij komt, maakt de krokodil zich snel uit de voeten. We maken snel een kampvuur en we houden een barbie op het eilandje. Om het kampvuur praten we nog lang na met bootgids Matt. Hij vertelt ons over de Aboriginals. Dat er ook een ander beeld van hen bestaat, dan die wij hebben gezien in de steden. Matt heeft als kind vlakbij de reservaten gewoond en weet veel over hen te vertellen. Maar ook hij kan niet ontkennen dat het met veel van hen niet goed gaat. Een oplossing heeft hij ook niet. ‘Anders had ik hier niet gezeten!’ zegt hij.

De volgende morgen vaart Matt ons terug naar de auto en ontbijten we aan de voet van de Ord Dam. We rijden terug naar Kununurra en rijden dan verder richting Purnululu National Park. Na Turkey Creek verlaten we de Great Northern Hyw en slaan we een dirt road in om de laatste 53 km af te leggen richting de Bungle Bungle Range. Dit is een groep van 300 meter hoge rotsen van zandsteen. Ze zijn oranje-zwart gestreept in de vorm van bijenkorven. Net voor zonsondergang komen we aan en dan zien wij de Bungle Bungle Range veranderen in de mooiste kleuren.
Als de zon onder is, maken we avondeten boven het kampvuur en raken we aan de praat met een aantal grey nomads. Dat zijn gepensioneerden uit het zuiden van Australië die in de winter naar het warmere noorden trekken. Een grey nomad die oorspronkelijk uit Spanje komt, vermaakt ons met grappen terwijl wij ons avondeten nuttigen. ‘De stieren worden na het stierenvechten altijd geslacht en de stier kent ook zo zijn delicatessen. Eentje daarvan zijn de stierenballen. Dat is een delicatesse bij de tapas. Een man in de Spaanse stad koopt deze delicatesse altijd. Maar op een dag zijn de ballen echter veel kleiner. Waarop de man aan de slager vraagt wat er mis is met de stierenballen. De slager antwoordt: Het is niet altijd de stier die verliest.’
We staan voor zonsopgang op en zien de Bungle Bungle Range tijdens ons brekky wederom in de mooiste kleuren veranderen. Als de zon op is maken we een wandeling naar Cathedral Gorge. Vanwege het vroege uur zijn we de enige.  Will heeft zijn didgeridoo meegenomen en bespeelt het instrument. De rotskloof zorgt voor een prachtige akoestiek. Onze didgeridoo pogingen zijn minder verdienstelijk. Door een opgedroogde beek lopen we terug naar de auto en rijden naar een plek waar je een helikoptervlucht kan maken. Voor een twintig minuten durende vlucht betaal je 185 dollar. Dat is best veel geld voor een korte tijd. Ik was dan ook geneigd om het niet te doen. Maar toen dacht ik: Hoe vaak krijg ik de kans om een helikoptervlucht te maken? En dus dacht ik: What the hell. Carpe Diem. Ik maak een helikoptervlucht!
Samen met Erin en Ruby stap ik in de helikopter. Ik mag, hoewel ik de loting verloren heb, voorin zitten vanwege mijn lange benen. En dat is best even spannend, want er zitten geen deuren in de helikopter! Ik weet niet hoe snel ik iets moet vastpakken. Maar ik moet wel uitkijken wat ik vastpak, want van de piloot mag ik absoluut niet aan de hendels voor mij zitten. Na een paar minuten in de lucht raak ik ontspannen en kan ik genieten van het uitzicht over de Bungle Bungle Range. Natuurlijk is het veel te snel weer voorbij.
Na de helikoptervlucht maken we nog een wandeling door de Echidna Chasm, een spleet in een rotsformatie. Na de lunch gaan we over de dirt road weer richting de verharde weg. Juist daar krijgen wij een lekke band. Na een snelle pitstop rijden we verder en Will speelt ons Cold Chisel’s Bow River: ‘Waitin’ on the weekend, set o’ brand new tyres. And back in Bow River’s just where I want to be.‘ Het is weekend en dus overnachten we langs de Bow River.
Zondag rijden we terug naar Kununurra, om ons rantsoen op peil te houden. Lunchen doen we aan de Lilly Creek Lagoon en daar zwemmen we ook. Daarna rijden we richting El Questro, maar pech overvalt ons. Onderweg verliezen we een tas met daarin het paspoort van Nina. Hierdoor moeten we terug naar Kununurra en langs de politie om aangifte te doen. Kamperen doen we daarom een stukje buiten het dorp. We maken pizza’s boven de hete kolen en met onze nieuw ingeslagen alcohol maken we er ondanks de verloren tas een feestje van. Slapen willen we niet. Als we in onze swags kruipen, is het een regen van vallende sterren. Ik zie meer dan twintig!

Geplaatst in Naar Australië | Tags: , , , , , , , | Een reactie plaatsen

5 The Feedlot

Een paar maanden later heb ik mijn spaargeld uit Nederland en het geld, dat ik heb verdiend met het fruit plukken bijna opgemaakt. ‘I’m running low on funds‘ zeggen de Engelsen dan. Ik moet dus snel op zoek naar werk. Van Vlaming Tom had ik in Sydney een visitekaartje gekregen van een zekere Dick. Zijn uitzendbureau in Toowoomba had Tom aan een heel mooi baantje in de graanoogst geholpen. Ik wil ook op het platteland werken. Want om in aanmerking te komen voor een tweede working holiday visum, moet je drie maanden op het platteland werken. Na het fruit plukken heb ik dus nog twee maanden te gaan.
Deze regeling is door de Australische overheid ingevoerd om meer werknemers naar het platteland te halen. Want niet alleen de backpackers blijven liever aan de kust, ook de Australiërs zelf doen dit. Hierdoor is het voor boerenbedrijven lastig om werknemers te vinden. Voor mij is het platteland naast het vooruitzicht op een tweede visum, ook een mooie manier om geld te sparen. In de stad kan je per uur meer verdienen, maar minder uren maken en in de stad zijn natuurlijk ook veel meer mogelijkheden om je geld gelijk weer uit te geven.
Lukas werkt al bijna vijf weken via Dick op een boerderij in Goondiwindi. Als blijkt dat zijn werkzaamheden bijna zijn afgelopen vragen we Dick om een nieuw baantje te vinden waar we samen kunnen werken. Een paar dagen later krijg ik een telefoontje van hem: ‘Ik heb een baan voor jou en Lukas gevonden. Het is in Dalby, het volgende plaatsje vanaf hier. Ik ben erg blij met Lukas, want hij heeft goed gewerkt op de varkenshouderij. Hij heeft me verteld dat jij nog harder werkt. Lukas komt over twee dagen hier naartoe en ik wil dat jij dan ook komt om de nodige papieren in te vullen. Je gaat op een feedlot werken. Dat is een boerderij waar vee in omheinde velden zit en intensief wordt gevoerd voor de slacht. Jullie moeten de dieren voeren met trucks en de velden schoonmaken met tractors  Heb je dat wel eens eerder gedaan? -‘Nee, maar dat komt vast wel goed’ antwoord ik. ‘Ik weet dat je enthousiast bent en graag wil werken, maar ik ben alleen maar bezorgd om jouw veiligheid. Ik wil niet dat je in een houten kist terugkeert naar Duitsland!’

Twee dagen later zit ik op het kantoor van Dick in Toowoomba, na Canberra de grootste stad in het binnenland van Australië. Hier neemt hij alle tijd voor mij. ‘Ik noem jullie reizigers’ zegt hij ‘en niet backpackers. Want ik zie jullie als reizigers die wat willen leren van verschillende culturen. De meeste backpackers blijven slechts aan de kust. Jullie gaan het binnenland in en gaan het echte Australië zien. Probeer zoveel mogelijk te doen met lokale Australiërs want dan krijg je echt een geweldige ervaring. Want ik wil dat dit een ervaring voor jou wordt.’ Natuurlijk gaat hij gewoon veel geld aan mij verdienen, maar hij doet zijn werk goed en geeft mij een goed gevoel en wijst mij erop dat ik naast een heleboel dollars ook een mooie ervaring aan dit werk ga overhouden.
‘De afgelopen vier jaar heb ik meer dan vierduizend mensen aangenomen’ gaat Dick verder. ‘Dus ik heb best wel wat ervaring en ik wil je zeggen, dat ik een goed gevoel bij jou heb. Ik heb redelijk wat ervaring met Duitsers, ik neem ze graag in dienst. Zie je het bord achter je? Er werken best wat Duitsers voor mij.’ Dick laat mij een bord zien waarop een lijst met namen staat. Achter de namen staat hun nationaliteit en waar ze werkzaam zijn. Lukas en ik staan ook op de lijst. Achter onze naam zie ik (ger) staan. Dick gaat verder: ‘Ik mag graag met Duitsers werken want jullie zijn…’ -‘Sorry dat ik u moet onderbreken maar ik ben niet Duits. Ik kom uit Nederland. Ik ga dan wel met een Duitser werken, heb vele Duitse vrienden en een achternaam die misschien Duits klinkt. Maar ik ben toch echt Nederlands!’ Dick verontschuldigt zich. ‘Nou ik heb ook veel ervaring met Nederlanders. De Nederlanders zijn een eigenaardig volk. Begrijp je wat ik hiermee bedoel?’ Als Dick is uitgepraat moet ik bij zijn secretaresse alle papieren invullen. Daarna haal ik Lukas op van het busstation.
Dick brengt ons vervolgens naar een motel waar hij ons al heeft ingeboekt. Hij geeft ons bustickets mee voor de volgende dag en de opdracht om boodschappen te doen voor de komende week. De volgende ochtend stappen we op de bus naar Dalby waar we worden opgehaald door Jim, de manager van de feedlot. Nadat wij ons hebben voorgesteld en onze spullen in de auto hebben gedaan, zegt hij dat hij eerst nog even een koelkast moet halen voor ons. ‘Want er is maar één koelkast in het huis waar jullie gaan wonen en die is redelijk vol, dus ik zal even een nieuwe kopen voor jullie.’ Lukas en ik hebben gratis accommodatie op de feedlot. Dit huis moeten we delen met nog twee andere Australische werknemers, wel hebben we elk onze eigen kamer. ‘De feedlot is ongeveer twintig kilometer buiten Dalby’ zegt Jim. ‘Hebben jullie ook een rijbewijs?’ Als wij bevestigend antwoorden, zegt hij: ‘Goed, dan kunnen jullie alles wel besturen. Wij hebben een aantal shovels, trucks en natuurlijk tractors. Hebben jullie daar wel eens eerder op gereden?’ -‘Nee’ antwoorden wij allebei. ‘Dat leren jullie de komende weken dan nog wel. Dat komt wel goed.’
Op de farm is het eerst tijd voor een royal tour over de ruim 600 hectare grote feedlot. ‘Wij hebben ongeveer 15.000 koeien’ vertelt Jim. ‘Vooral Japanse Wagyu koeien. Ze zitten hier op de feedlot in omheinde velden, in elk veld zitten driehonderd koeien. Ze komen bij ons als ze anderhalf jaar oud zijn. Vervolgens blijven ze hier driehonderd dagen alvorens ze worden geslacht. Het vlees dat deze koeien produceren is erg lekker en wordt verkocht aan de beste restaurants in Sydney, New York en Dubai. Dat moeten jullie ook echt proberen. Jullie huisgenoten hebben nog wel wat in de diepvries zitten. Ik zal ze straks meteen de opdracht geven dat ze jullie wat moeten geven. Als we binnenkort weer een koe slachten voor het personeel, krijgen jullie ook een zak vlees. Dat vlees is zo lekker omdat ze een speciaal dieet krijgen. En daar ligt jullie taak. Het voeren gebeurt met speciale voertrucks die jullie nog gaan leren te besturen. Langs de velden ligt een betonnen greppel en daar rij je dan met je truck langs en op een computer aan boord zie je precies hoeveel voer je in de greppel moet gooien. Maar morgen beginnen jullie eerst op de feedmill.‘ Dan stappen we even uit om de feedlot te ruiken. Lukas, die de stank op een varkenshouderij gewend was, zegt dan: ‘Het ruikt goed.’

Op onze eerste werkdag melden we ons om zeven uur op de feedmill. Dit is de plek waar al het voer wordt gemengd voor de koeien. Lukas en ik mogen ons eerst bezig houden met het stro. Dat moeten wij met behulp van de JCB in de tubgrinder gooien. Dat is een grote gele kuip waarin allemaal hamers de stro verpulveren tot kleine stukjes. Dit verpulverde stro wordt dan gemengd met het andere voer. Dat onder andere uit sorghum, gerst, tarwe, mais en katoen pitten bestaat.
De JCB is een machine met een arm die uitschuifbaar is. Voorop de arm zit een grote schep waarmee wij de stro kunnen opscheppen en in de tubgrinder kunnen gooien. Huisgenoot en monteur Bill legt ons uit hoe we de pedalen, hendels en de joystick, waarmee de schep bediend wordt, moeten gebruiken. We gaan het dan om de beurt even proberen. Als Bill ziet dat het wel gaat, laat hij ons twintig minuten later alleen. ‘Jullie redden je wel’ zegt hij. En dan staan we er alleen voor. Ik gooi het stro in de tubgrinder en Lukas haalt met een oude blauwe Ford 5000 tractor nieuwe balen stro op en veegt de boel een beetje schoon rond de machine, zodat hier niets in de brand vliegt. Deze taken wisselen we elk uur af.
Met deze werkzaamheden vullen wij de eerste week. Het enige wat er verandert is dat we de stro soms moeten vervangen door hooi. Verder moeten we soms ook vrachtwagens ontladen die nieuwe balen met hooi of stro komen brengen. Elke dag werken we zo tussen de acht en elf uur en maken zo per week tussen de vijftig en zestig uur. Na zes dagen werken hebben we een dag vrij. We krijgen Jim’s auto mee en gaan naar Dalby. Daar maken we in de bibliotheek gebruik van het internet en doen daarna inkopen voor de komende week.

Als wij de volgende ochtend weer op ons werk verschijnen weet iedereen dat wij naar Dalby zijn geweest en daar hebben zij blijkbaar hele verwachtingen van. ‘Did ya pick up any sheilas?‘ vraagt één van de monteurs. Als ik later met de chauffeur van de voertruck praat vraag hij: ‘Did ya get any root?‘ ‘Wat? Waar heeft die gast het nou weer over?’ denk ik. Root betekent toch wortel? Als hij mijn vragende gezicht ziet, maakt hij een rondje met de duim en wijsvinger van zijn linker hand en stopt de wijsvinger van zijn rechterhand hierin. ‘Aha, to root betekent dus neuken.’ Nee, daarin moet ik hem teleurstellen. Wij zijn echt alleen maar naar de bibliotheek en de supermarkt gegaan.
Echt mooie vrouwen hebben we daar ook niet gezien, vooral hele dikke. Op de radio horen we dat er procentueel meer mensen met obesitas zijn dan in de VS. Australië is het dikste land ter wereld. Dat verbaast ons trouwens niets. Tijdens smoko, dat is de koffiepauze, eten onze collega’s chips met dipsaus of een opgewarmde big mac van de dag ervoor, uiteraard met een fles cola erbij. En dan zitten ze de hele dag op hun reet in een voertuig. Lukas en ik eten altijd een appel en een sinaasappel tijdens smoko en dat vinden zij dan weer raar.
Hoewel ze niet zoveel bewegen, zijn ze allemaal sportgek. De grootste sport in Queensland is Rugby League. Dat noemen ze hier football of footy omdat de bal in het spel moet worden gebracht met de voet. De grootste wedstrijd is de State of Origin. Dat is een wedstrijd tussen de beste spelers uit New South Wales en de beste uit  Queensland. Het is een best of three wedstrijd en na een 1-1 tussenstand maken wij de beslissende wedstrijd mee. De feedlot heeft speciaal voor deze gebeurtenis een zaal afgehuurd in Dalby waar we met alle werknemers samen gaan eten. Daarna kijken we de wedstrijd, waarbij we onbeperkt mogen drinken. Queensland wint tot genoegen van onze collega’s de beslissende wedstrijd.
De volgende ochtend moeten we gewoon weer om zeven uur werken. Tijdens smoko vertelt Aboriginal John over de hete serveerster. Waarop Lukas vraagt: ‘John, hoe oud was ze?’ -‘I don’t know, old enough to fuck. I’m going there tonight again.‘ Lukas en ik moeten hier erg om lachen, aangezien John ergens in de vijftig is en de arme serveerster niet veel ouder dan achttien zal zijn.
John is een van de twee Aboriginals op de feedlot. Dat zijn erg kleurrijke figuren, maar hard werken doen ze niet. Dat wekt nogal eens irritatie op bij de andere werknemers die ze als black cunts beschrijven. Niet dat dit meteen heel erg negatief is, want de woorden fucking en cunt behoren hier tot het standaard vocabulaire. De Abo’s gebruiken deze woorden nog het meest. Ze gebruiken het woord cunt bijvoorbeeld om van alles te omschrijven van een koffiemok tot een voertruck.
Wij proberen deze slang niet over te nemen, al betrappen wij onszelf erop het woord fucking ook steeds vaker in de mond te nemen. De koffiepauze is allang geen morning tea meer voor ons, maar gewoon smoko. En de auto’s op de feedlot beschrijven we ook niet meer met het woord car maar met ute.

Ondertussen wordt ons takenpakket steeds verder uitgebreid en doen we naast het tubgrinden ook andere klusjes. Zo leren we beiden de voertruck, de bobcat en een shovel te besturen. Met de shovel moeten we naar de screening plant, waar we achttien maanden oude en opgedroogde menure in een machine moeten gooien. Boeren kopen de fijne menure om hun land te bemesten. Hiervoor moet het door een zeef om het fijne van de grote brokken te scheiden. Het is gaaf om de shovel te besturen, minder gaaf is dat je na een dag menure scheppen onder de opgedroogde koeienstront zit. De ochtend begint ook met stront. De koeien schuren hun kont graag tegen de hekken aan en schijten dan in hun voerbakken. Daarna willen ze daar natuurlijk niet meer uit eten. Lukas en ik moeten daarom elke ochtend met een schep in onze hand alle voerbakken bij langs gaan en ze waar nodig schoon scheppen. Lukas had dit eerder gedaan en mocht het mij leren. ‘Ik ben een ervaren strontschepper’ zegt hij. ‘Ik zou dat op mijn cv moeten zetten.’ Deze lange wandeling langs de eindeloze voerbakken is een erg relaxte manier om de dag te beginnen. Af en toe een praatje maken met de cowboys die het vee controleren en hier en daar wat stront scheppen en langzaam wakker worden.

Lukas en ik hebben wel door dat we het goed hebben getroffen met dit baantje. Tijdens het fruit plukken moesten we hard werken om geld te verdienen. We werden immers betaald per hoeveelheid geplukt fruit. Nu krijgen we per uur betaald en zitten we meestal op onze luie reet in een voertuig. Na een dag fruit plukken waren we gesloopt, nu valt dat reuze mee. We zijn wel moe, maar dat komt omdat we zo lang werken, niet omdat we zo hard moeten werken.
We verdienen hier per week ook meer en hebben geen kosten aan accommodatie. De enige kosten die wij maken zijn aan internet en aan onze wekelijkse boodschappen. Deze zijn nooit hoger dan 100 dollar per week. Het sparen lukt dus goed. Wat ook helpt, is dat we een hele grote zak met vlees hebben gekregen. En niet zomaar vlees, maar vlees van de feedlot. Ik durf te stellen dat ik nog nooit zo’n lekkere steak heb gegeten.
Verder is het gewoon erg relaxt op de feedlot. Er is nooit ergens stress. En als er een keer iets kapot gaat, dan repareren de monteurs dat en dan zeggen ze tegen ons: ‘Just look busy.‘ Ook is er altijd even tijd voor een praatje. Zo vertelt Marty, één van de oudere werknemers, dat de opwarming van de aarde hier in Australië echt een probleem is. ‘Vroeger hadden we altijd genoeg regen’ vertelt hij. ‘Ik heb toen de boerderij van mijn vader overgenomen en nooit hadden we een probleem. Maar sinds de jaren negentig werd het steeds minder. Toen ik een paar jaar geleden de kans kreeg om mijn boerderij te verkopen, hoefde ik daar niet lang over na te denken’.
Op het weerbericht is er ook veel aandacht voor de hoeveelheid regen. In Queensland valt er te weinig en het meer waaruit het drinkwater gehaald wordt, is nog maar voor veertig procent vol. Dagelijks krijgen wij een update over hoe hoog het water staat. Ook zijn er codes die de burger vertellen hoe zuinig ze moeten doen met water. Op het weerbericht vertellen ze bijvoorbeeld dat je je auto niet meer mag wassen met de tuinslang. Als Nederlander is dit soms een beetje moeilijk te begrijpen.
Na een aantal weken kijken we ook wel weer uit om terug naar de bewoonde wereld te gaan en weer te gaan genieten. Hoewel die bewoonde wereld ook beangstigend kan zijn. Als er een aantal dagen voor ons vertrek een vreemde vrouw op de feedlot arriveert zegt Lukas: ‘Wat een lekker ding!’ Ik vind het wel meevallen, maar zo zegt Lukas: ‘Ik werk nu al dertien weken op een boerderij en heb mijn vriendin al vier maanden niet gezien. Voor mij is elke meid nu een lekker ding. Hoe moet dat straks als we de bewoonde wereld weer ingaan?’
Een paar dagen later stop ik na zevenenhalve week werken. Met het fruit plukken erbij heb ik dan elf weken gewerkt. Net niet genoeg voor een tweede visum. Maar door een belasting trucje krijg ik slechts 38 uur per week uitbetaald en dus krijg ik nog een aantal weken doorbetaald en kom ik ruim over de drie maanden te zitten. Ik heb mijn tweede Working Holiday visum dus in de pocket. Net zoals 5500 dollar spaargeld. Tijd om daarvan te gaan genieten.

Geplaatst in Naar Australië | Tags: , , , , , | Een reactie plaatsen

Henk & Roelie zijn onderweg in Bosnië en Herzegovina

De afgelopen drie weken heb ik met Roelie een hele mooie reis gemaakt van Sarajevo naar Athene, dwars door de balkan. Verhalen zijn er weer voldoende, maar die komen nog. Voor nu wil ik alleen de foto’s uploaden. Ten eerste Bosnië en Herzegovina

 

Geplaatst in Onderweg | Een reactie plaatsen